Gesprek Veerle Driessen

Bijgewerkt: 1 mrt 2020

De uitwerking van het gesprek is omgezet naar een leesbare tekst. De cursieve teksten in rood zijn toegevoegd als aantekening voor mijzelf en komen niet uit het gesprek. Ik begin met een korte samenvatting van het gesprek.

Veerle Driessen


Samenvattend:

Door te praten kun je dingen proberen helder te krijgen, het helpt je met denken. Door de praktijk in te gaan en het concreter te maken maak ik het onderzoek kleiner. Ik moet me realiseren dat een duidelijk antwoord waarschijnlijk uitblijft, doordat het onderwerp dat ik onderzoek complex is en nieuw. Als ik geen concrete antwoorden heb is dat niet erg, wat niet wil zeggen dat ik het kan gebruiken voor mijn onderzoek. Alle informatie die ik verzamel en verwerk dragen voor een klein deel bij aan het vraagstuk en is waardevol. Ik onderzoek een klein deel en maak ik communiceerbaar om aan te tonen dat ik een onderzoek kan doen op masterniveau.


Uitwerking gesprek:

Tijdens mijn gesprek met Veerle heb ik zelf veel gepraat over het onderwerp van mijn onderzoek en het verloop tot nu toe. Hoe ik begonnen ben met een meer filosofische inslag en vervolgens via verschillende gesprekken op het punt ben aanbeland dat ik mij op de praktijk moet gaan richten en op mijn methode.


Met betrekking tot mijn gesprek met Martin van Engel merk ik op dat musea nog erg bezig zijn met het werven van een nieuw publiek. Veerle vraagt of het erg is dat het gaat om het werven van een nieuw publiek? Zonder dat diverse publiek heb je geen mensen om het gesprek te voeren. Hierop geef ik aan dat ik niet wil nadenken hoe ik een divers publiek het museum in krijg, maar dat het mij gaat om het delen van perspectieven en de methode uit te proberen om een verandering teweeg te brengen. Zo ben ik uitgekomen bij de gespreksmethode VT, hierbij leg ik uit dat je d.m.v. thinking routines op een flexibele manier gesprekken kunt begeleiden. Helaas heb ik het zelf nog helemaal niet uitgeprobeerd. Van Joke Backx, Design Museum ‘s-Hertogenbosch, mag ik een keer meelopen. Hierbij merk ik op dat ik twijfels heb of ik bij het experimenteren zelf de begeleiding moet doen of dat ik juist moet observeren. (Hoe ga ik het vastleggen?)


We bespreken de fases die ik tot nu toe heb doorlopen: dus in eerste instantie de theorie onderzocht, andere onderzoeken en heb ik nagedacht over doelgroepen. De meest logische doelgroep door de formulering van mijn vraag zijn asielzoekers. Hierbij geef ik aan dat het mij gaat om de maatschappij zoals die nu is samengesteld. (De bevolkingssamenstelling is ingrijpend veranderd en er zijn groepen die zich niet meer thuis voelen in de maatschappij. Dat kunnen nieuwkomers zijn, eerste, tweede of derde generatie, maar ook autochtonen die zich niet meer thuis voelen in de wijk waar ze zijn geboren. Het is mij te doen om mensen en de polarisatie in de maatschappij.) Over mensen die allang deel uitmaken van de maatschappij, maar niet het gevoel hebben dat ze erbij horen. Aangezien het vinden van mensen om mee te experimenteren ingewikkeld is, wil ik via het onderwijs jongvolwassenen gebruiken voor mijn experiment.

Zelf vind ik dat ik er nog niet klaar voor ben, dat heeft te maken met mijn perfectionisme (en mijn onzekerheid).


Veerle vraagt of ik uitga van een aantal voorwaarden? Dat zijn het museum en jongvolwassen, maar dan ik ga er dan vanuit dat er meerder culturen aanwezig zijn? Dat is dan een aanname!

Wat verwacht ik dan dat er gebeurt, welk resultaat verwacht ik? Ik hoop dat er (nieuwe) perspectieven gedeeld gaan worden en ik hoop dat er dan meer begrip ontstaat. Dat je jongvolwassenen kunt laten leren van elkaar en tonen dat de verschillen juist een meerwaarde zijn. Voorwaarde is wel dat de ander ervoor open moet staan, dat is een onzekere factor. Dat heb ik dus nog niet ervaren.


Veerle: Heb ik nu alleen nog de praktijk nodig? Het stukje praktijk mist inderdaad nog.

Ik vind ook dat ik nog meer expertise mis uit het veld. Het is moeilijk om experts te spreken te krijgen. Daar stoei ik mee en ik ben continu aan het zoeken waar ik het beste terecht kan. Er zijn heel veel lijntjes uitgezet, maar er komt weinig concreets uit.

Veerle heeft bij het Van Abbe veel geleert en herkent een aantal dingen, zoals mijn drijfveer om een maatschappelijk doel te bereiken en de maatschappelijke urgentie om dit te doen.

Veerle: ik wil dus een oplossing? Ik wil iets in gang zetten, ik ben al blij als er iets gebeurt, al is het maar op kleine schaal.

Waarom vind ik het erg dat het niet concreet wordt. Wil ik resultaten zien? Ik vind het moeilijk om dit los te laten, om het te laten gebeuren. Ik wil controle houden over het proces. Het filosofische stuk heb ik wat meer losgelaten uit angst om in mijn hoofd te blijven zitten, ik vind het moeilijk te duiden. (Ik weet nu dat ik het wil concretiseren om het onderzoek kleiner te maken.)


Veerle: Realiseer ik me dat wat ik doe iets heel erg nieuws is? (Dat heb ik me onvoldoende gerealiseerd!) Marleen heeft geen gebruiksaanwijzing hoe je een museum inclusief maakt. Wat zegt Martin daarover? Hij zit heel erg in het project, Van Gogh Verbindt, om groepen het museum in te krijgen met een diverse culturele achtergrond, het werven dus van publiek en hen te betrekken bij projecten. Het is nu nog onzeker voor hun wat er beklijft, wat de effecten zijn. Deze organisaties zijn ‘oude’ logge instanties, terwijl je zou denken dat musea juist gemakkelijk meebewegen, doordat ze een podium bieden aan kunst. Het valt beiden tegen hoe traag veranderingen plaatsvinden. Het feit dat je zichtbaar bent als mensen een museum bezoeken als bijvoorbeeld iemand van kleur is belangrijk, dan voel je je gezien (culturele identificatie).

In relatie tot mijn gesprek met Marleen geef ik aan dat er dan wel over inclusiviteit gesproken wordt, maar je niet volledig inclusief kunt zijn, je moet erkennen dat dat niet kan. Veerle geeft aan dat als je zelf deel uitmaakt van een organisatie je zelf onderdeel wordt en meegenomen wordt in de manier waarop de organisatie is ingericht. Dan wordt het heel moeilijk om nog autonoom te bewegen. (Dat is dan mijn voordeel en kracht, ik kan mij wel autonoom bewegen en ik moet daar slim gebruik van maken.)

Belangrijkste wat ik uit de gesprekken met Martin en Marleen heb gehaald?

Het eerste dat me te binnen schiet is een term van Martin; intersectionaliteit. Dat was een nieuw woord voor mij en zo kom ik telkens tot nieuwe inzichten.

Zelf heb ik een broertje dood aan al die terminologieën. Ik probeer altijd goed te begrijpen wat iemand zegt en als mensen dan zelf heel veel begrippen gebruiken, raak ik de draad kwijt. Terwijl ik zelf juist graag helder wil communiceren naar de ander.


In het onderzoek vind ik het lastig om focus te houden doordat er zoveel is, ik zie overal mogelijkheden. Ik moet de structuur in de gaten houden, prioriteiten stellen, keuzes maken. Dat vind ik zelf het moeilijkste.


Veerle: Wil ik verbreden of versmallen?

Nu moet ik versmallen, ik heb al veel theorie. Ik zal het praktijkdeel in moeten gaan zetten zodat het concreter wordt, ook om te zien wat er gebeurt met deelnemers. Als ik merk dat het met VT niet werkt, kan ik dat in ieder geval wegstrepen.

De plek is voor mij belangrijk; het museum. Zo ook communicatie en begeleiding en probeer ik mij daarop te focussen.


Als ik vertel over het aantal reacties op mijn vragenlijst vind Veerle dat ook best veel.

Wat betreft de vragenlijst, vraag ik mij hardop af of mijn manier van vragen stellen wel goed is.

Veerle: Wat is mijn manier geweest van vragen? Van breed naar smal, dus eerst algemene vragen over het museum en vervolgens gerichter naar hun kunsteducatieve programma. Het is wel interessant dat er veel reacties zijn gekomen, hierdoor merk je dat ze er wel mee bezig zijn. Ze voelen dus zelf ook dat ze een rol (zouden moeten) spelen in de maatschappij. (Musea staan midden in de maatschappij, of ze nu willen of niet. Doordat ze keuzes maken in wat ze willen tonen aan hun publiek verhouden ze zich tot hen en de maatschappij. Op het moment dat je een publieksfunctie hebt, heb je te maken met de context waarin je je begeefd.) Ze willen ‘allemaal’ een weerspiegeling zijn van de samenleving (ca. 30% noemt maatschappelijke urgentie en bijna 70 % noemt het weerspiegelen van de samenleving). Geen enkele respondent geeft aan dat ze een diverse groep willen aanspreken om subsidieredenen, dat vind ik opvallend. Beleidsmatige beslissingen zijn natuurlijk wel van invloed, denk alleen al aan subsidies. (De antwoorden zijn dan dus eigenlijk heel erg sociaal wenselijk. Dat vind ik heel erg interessant en zou een nieuw onderzoek kunnen zijn.)

Veerle vraagt zich af of ik het gevoel heb dat ik zeg wat ik wil zeggen? Ik praat veel en ze geeft aan dat het is goed om te praten, door te praten denk je na. Zo voelt het ook.


Veerle: Wat bedoel ik met het begrip verandering? Het delen van perspectieven. Dit heeft een filosofische inslag en ik verwijs naar het stuk van Biesta over deconstructief pragmatisme. Dat begrip fascineerde mij en ik moest aan architectuur denken. Ik leg uit dat het gaat over de ander aan het denken te zetten door met elkaar het gesprek aan te gaan. Het gaat niet om overtuigen of het opleggen van ideeën, maar om het uitwisselen van gedachten waardoor er een wisselwerking ontstaat.

Veerle: Beiden maken een verandering door over het onderwerp waar het over gaat? Het gaat voor mij inderdaad om inzichten, inzicht krijgen in ideeën van de ander. We kunnen het niet met elkaar eens zijn, maar daarna kun jij wel begrijpen waarom ik dat vind. Natuurlijk gaat dit over communicatie (eigenlijk het ontleden van communicatie), over begrijpen waarom de ander dat vindt (de ontvanger interpreteert in eerste instantie dat wat gezegd wordt, om vervolgens deze interpretatie samen te duiden, dat is een wisselwerking).Het begrip deconstructief vind ik in deze heel interessant.

Dat er verandering optreedt wil ik eigenlijk toetsen? Ja! Naast begrip. Begrip is het gevolg van die verandering. Jij kunt jij zijn en ik ik, je deelt je ideeën en er komt informatie bij. Daarin zit voor mij het educatieve deel, daarin groei je.


Tijd!

Ik loop tegen de tijd aan, dat heeft ook te maken met mijn perfectionisme. Dat vind ik lastig en ik weet niet hoe ik dat in mijn hoofd moet veranderen.

Veerle: dat waar ik mee bezig ben, daar is geen gebruiksaanwijzing voor. Ik weet niet wat het resultaat is en ik weet niet wat de uitkomst zal zijn. Het is goed dat ik nog ambitieus ben, maar het hangt van zoveel factoren af, je werkt met mensen, het kan daarom niet perfect zijn. Het is fundamenteel dat het niet perfect zal gaan en dat het lang duurt voor ik begrip heb van wat ik aan het doen ben. Ik moet goed bedenken wat mijn doel is zonder een resultaat voor ogen te hebben!

Veerle: Na gesprekken te hebben gehad in het veld, komt er niet echt iets concreets uit, maar dat is ook een resultaat. Dat is iets dat ik heb geleerd, en dat is één van de resultaten in mijn onderzoek; dat er niet direct iets concreet uitkomt. Zelfs bij een volgend gesprek. Dat kan maar hoe zorg ik er nu voor dat er wel wat meer concreet uitkomt. Misschien omdat ze het zelf niet goed weten. Het is moeilijk, daardoor moet ik uitkijken dat het perfectionisme me niet in de weg gaat zitten. Ik maak het mezelf moeilijk, tegelijkertijd wil ik het mezelf niet oncomfortabel maken. (Ik bedoel hiermee, dat ik mezelf veel werk bezorg, moeilijk denk en het onnodig zwaar maak, terwijl ik meteen dingen uit de weg ga, omdat ik dan uit mijn comfortzone moet stappen.)


Veerle: Wat dacht ik toen ik hieraan begon? Het is anders dan ik had verwacht. Je moet jezelf uitdagen om buiten de gebaande te treden, dat is een goede leerschool. Ik zie dit wel als een basis, ik verwacht ik niet dat ik een concreet resultaat ga boeken, maar ik zie dit als een eerste stap.

Veerle: Hoe keken de mensen die ik had gesproken tegen mijn onderzoek aan?

Denken zij dat zij er ook iets aan hebben?

Marleen wil graag iets zien als ik iets op papier heb, Martin ook, hij wil mijn externe expert zijn. Dat sterkt mij wel, om dat ik het in eerste instantie moeilijk vind om het gesprek aan te gaan. Er komt ook steeds meer bij en hoe ga ik dat straks in een vorm gieten?

Veerle:Heb ik al een idee hoe ik de laatste fase in ga? Het zal een geschreven stuk worden, een artistiek onderzoek past niet bij mij en moet ik niet doen. Het vertellen van verhalen komt ook telkens terug. Daarom wil ik een cursus creatief schrijven volgen, om op een creatieve manier met tekst om te gaan, dat zie ik als mijn artistieke ontwikkeling.

Veerle komt terug op begrippen. Waarom precies hamer ik op die begrippen?

Omdat ik het wil doorgronden. Ik kan alleen stapsgewijs kennis tot mij nemen, om iets te kunnen begrijpen.


Veerle: Voor wie schrijf ik het? Ik zou graag willen dat iemand er iets aan heeft.

Voor de Master schrijven betekent dat ik ook theoretische onderbouwing moet schrijven en daar kan ik niet om de termen heen. Ik moet het mezelf niet te moeilijk maken. Een master afronden en ook nog een inclusief stuk schrijven! Uiteindelijk heb ik er zelf meer aan, als ik het te begrijpen maak voor mijzelf en voor de opleiding. De volgende stap kom daarna wel.

Stilstaan om het te verwerken, daar neem ik nog steeds te weinig tijd voor.

3 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven
  • White Instagram Icon

© 2023 by DAILY ROUTINES. Proudly created with Wix.com